De Morgenstond
O welkom, schoone Dageraad, Die uit een gulden kamer gaat, Met glans van held're stralen; 'k Ontsluit mijn venster voor uw licht, Om met een vroolijk aangezicht U min'lijk in te halen. Gij wacht niet tot ik open doe, Maar dringt ten eersten mild'lijk toe; Ja, eer ik kom 't ontsluiten En noch in 't nare duister zij, Zoo staat en wacht gij al na mij, Voor toegeloken ruiten. Zoo ook de Meester die u riep, En tot een Licht der wereld schiep, Die groote Zon der Zonnen, Schijnt met een...
Read Full Article on Standard Bearer
Full article available on sb.rfpa.org