De Zwarte Plek
En moet dat nu altoos zoo blijven, Heer, tot aan mijner dagen end, -- die zwarte plek, diep in mijn hart, die Gij, en Gij alleeen, kent? Mijn leven lijkt zoo vlekkeloos naar d' uiterlijken schijn; maar diep daarbinnen, daar is het boos en van nature onrein. Wel gaf ik dat heele harte aan U en keerdet Gij het om, maar diep daarbinnen -- die zwarte plek -- bezoedelt mijn jeiligdom. Ik wil get wel niet, ik wil het wel niet, -- en ik denk en ik doe het toch! Was mijne bekeering tot...
Read Full Article on Standard Bearer
Full article available on sb.rfpa.org